JGZ weblog
In dit artikel ("Horen, zien en screenen. Screenen van ouders met een zware opvoedingsbelasting in de Jeugdgezondheidszorg") rapporteren de drie onderzoekers (zie hieronder) over opvoedingsbelasting van ouders met jonge kinderen in de Jeugdgezondheidszorg. We gaan na vanuit welke potentiële bronnen de opvoedingsbelasting wordt ervaren. Vervolgens onderzoeken we de relatie tussen gerapporteerde opvoedingsbelasting enerzijds en de behoefte van ouders aan opvoedingsondersteuning anderzijds. Tenslotte gaan we na of er veranderingen zijn in opvoedingsbelasting na een periode van een jaar.
In het werkgebied van Vérian (voormalig Thuiszorg Oost Veluwe, afdeling Jeugdgezondheidszorg 0 tot 4 jaar) zijn gegevens verzameld van 859 ouders met kinderen in de leeftijd van 2 - 3 jaar die het kleuterbureau bezochten voor een preventief gezondheidsonderzoek. Ouders vulden het screeningsinstrument de Nijmeegse Ouderlijke Stress Index Kort in als maat voor de ervaren opvoedingsbelasting.
Een aanzienlijk percentage (13.5 %) van de ouders met kinderen in de leeftijd van 2 tot 3 jaar bleek een bovengemiddelde tot zware opvoedingsbelasting te ervaren. Opvoedingsbelasting bleek samen te hangen met een aantal demografische kenmerken: aantal kinderen in het gezin, leeftijd van ouder, geslacht van het kind en SES. Ouders met een zware opvoedingsbelasting ervoeren meer behoefte aan opvoedingsondersteuning dan ouders die zich berekend voelen voor de opvoederstaak. Ervaren opvoedingsbelasting vertoont een hoge stabiliteit over een periode van 1 jaar.
Auteurs: Saskia Blom-Schakel (Vérian, Apeldoorn), Jaap van Ede (GGD Fryslân, Leeuwarden) en Maja Deković (Pedagogiek, Universiteit Utrecht).
Correspondentie saskiablom@verian.nl
Download het volledige artikel (PDF) via deze link
Op 31 januarii (nadat RTL nieuws er al een dag eerder mee kwam in het half acht journaal) werd een onderzoek onder 300 jeugdartsen naar de werkdruk bij jeugdartsen 0-4 in de CB's gepubliceerd. Opgesteld door het wetenschappelijk bureau van de SP i.s.m. met de Vereniging Artsen Jeugdgezondheidszorg in Nederland AJN. Het rapport "Kansen voor alle kinderen?" concludeert een "groot achterstallig onderhoud" in de JGZ 0-4 jaar. Bijna 100 procent van de artsen ervaart een hoge werkdruk. Ruim 85 procent van de jeugdartsen vindt dat ze de kinderen niet de zorg kunnen bieden die nodig is. Eenderde van de artsen vindt zelfs dat ze de risicokinderen te weinig ziet. De helft van de artsen vindt dat er onvoldoende tijd is voor huisbezoeken. De artsen hebben onvoldoende tijd: te weinig of vermindering van consulten, de tijden voor consulten zijn te krap en er gaan te veel taken naar verpleegkundigen. Voor werkoverleg is (binnen werktijd) nauwelijks tijd. Indien de strijd om de minuten is gewonnen wacht nog een nieuw struikelblok. Driekwart van de jeugdartsen ervaart problemen met doorverwijzen. Wachtlijsten, indicatiestelling en kinderen die te makkelijk weer worden losgelaten, door de jeugdzorg bijvoorbeeld.
Aanbevelingen
In het rapport staan een aantal aanbevelingen om de JGZ weer gezond te maken. Ruimere spreekuren, de mogelijkheid om alle kinderen te blijven zien en een toeslag voor risicokinderen. Geef de jeugdartsen een sleutelpositie in de zorg voor de jeugd en de Centra voor Jeugd en Gezin. Investeer in onderzoek, standaarden en richtlijnen en in de artsen zelf. Hogere functie-eisen (jeugdarts fase I), gehele subsidiering van de opleiding en een betere salariëring is dringend noodzakelijk om meer artsen voor deze belangrijke preventieve zorg aan te trekken.
VRAGEN
Wat zijn uw ervaringen? Herkent u zich in dit beeld? Onderschrijft u de aanbevelingen? Is er sprake van (extra) risico omdat risicokinderen te weinig gezien (kunnen) worden? Wat is uw aanbeveling? Geef uw mening hieronder in het commentaar
U kunt het verslag van het onderzoek downloaden via deze link. (PDF)
De consumptie van groenten en fruit bij peuters wordt vooral bepaald door de kennis, houding en gedrag van ouders met betrekking tot groenten en fruit. Uit onderzoek van het Productschap Tuinbouw blijkt dat de kennis over groenten en fruit van ouders van jonge kinderen tot 5 jaar over het algemeen aanwezig is, maar niet compleet. De kennis van soorten groenten en fruit beperkt zich tot datgene wat men zelf gebruikt. Uit het onderzoek blijkt dat moeders die meer bewust met hun gezondheid bezig zijn, meer soorten groenten en fruit kennen en er meer mee variëren. Dit geldt ook voor allochtone moeders. De kennis over voedingswaarden is over het algemeen beperkt. Het overheersende idee is dat alle groenten gezond zijn en alle fruit vol vitamine zit. De kennis is bepalend voor de houding van de ouders. De houding van de ouder vertaalt zich niet één op één door in de consumptie van het kind, maar hangt er wel mee samen. Wanneer ouders van jongs af aan hun kinderen regelmatig laten proeven van uiteenlopende producten, zonder hierin dwingend te zijn, is de kans groot dat de kinderen zich ontwikkelen tot makkelijke eters.
De manier waarop ouders de kennis omzetten in gedrag wisselt, maar bij de meerderheid van de ouders is er spraken van compensatie en balans. Compensatie betekent dat de ouder ervan uitgaat dat het tekort aan het een kan worden opgevangen door een overschot aan het ander. Balans betekent dat ouders ervan uitgaan dat bijvoorbeeld een tekort aan fruit op de ene dag kan worden opgevangen door een overschot aan fruit op de volgende dag, zodat men aan het einde van de week goed uitkomt.
Belang van het onderzoek
Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van AGF Promotie Nederland. Aanleiding is de te lage groenten en fruitconsumptie bij vrouwen (en moeders) tussen de 19 en 30 jaar, waardoor zij moeilijk een voorbeeldrol kunnen vervullen voor hun kinderen. Een toenemend aantal jonge kinderen heeft last van overgewicht als gevolg van ongezonde voeding en te weinig beweging. De kindertijd is een belangrijke periode om een voorkeur voor gezonde gedragspatronen bij te brengen. Het blijkt dat ouders gebruik maken van uiteenlopende ‘officiële’ (zoals het consultatiebureau) en ‘onofficiële’ bronnen zoals vrienden, familie en fabrikanten om informatie te verkrijgen over de voeding voor hun kinderen. Ouders met een eerste kindje en hoger opgeleide ouders zoeken meer naar houvast en zekerheid dan ouders met meer kinderen en lager opgeleiden. Voor alle moeders geldt dat zij op zoek zijn naar praktische tips over gezonde voeding.
Het volledige rapport “kennis, houding, gedrag van moeders van peuters ten aanzien van groenten en fruit” (PT 2007-96) is op te vragen bij John Claasen van het PT (J.Claassen@tuinbouw.nl), tel: 079 347 0633.
De vereniging Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) is blij met de plannen van de Minister voor de inrichting van de Centra voor Jeugd en Gezin, coördinatie van zorg en de Verwijsindex Risicojongeren zoals deze beschreven worden in de brief van de Minister voor Jeugd en Gezin d.d. 16-11-2007. We denken met de Minister- dat met de voorgestelde maatregelen de zorg voor ouders en kinderen/jongeren in hoge mate kan verbeteren. Graag brengen wij enkele aandachtspunten naar voren die ons inziens in de brief van de Minister onvoldoende belicht zijn of waar aanscherping van het beleid raadzaam zou zijn.
CJG ook voor medische en preventieve taken!
De AJN maakt zich zorgen over het feit dat in de brief van de Minister en in andere beleidsstukken over de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) de nadruk erg ligt op de taken op het gebied van opvoedingsondersteuning. Het Basistakenpakket JGZ/WCPV wordt wel her en der genoemd als onderdeel van het takenpakket van de CJG, maar dit komt ons inziens onvoldoende aan bod:
We zien een aantal nadelige gevolgen van het onvoldoende belichten van de integratie van WMO- en WCPV-taken in de plannen rondom de CJG:
| De AJN pleit voor meer aandacht voor de integratie van medische, preventieve en opvoedkundige ondersteuning bij de vorming van de CJG in de vorm van doorlopende basiszorg voor ieder kind van -9 maanden tot 23 jaar. Goede aansluiting van de CJG bij de jeugdzorg, onderwijs, politie en niet in de laatste plaats bij de eerste en tweedelijns gezondheidszorg is onontbeerlijk voor succesvolle CJG. |
| De AJN pleit voor ruimere financiering van de jeugdgezondheidszorg om verantwoorde uitvoering van de huidige én de nieuwe taken van de jeugdgezondheidszorg mogelijk te maken. Het is ongewenst dat er bezuinigd wordt op de uitvoering van het Basistakenpakket JGZ zonder dat er gedegen onderzoek wordt gedaan naar de effecten ervan. |
Wat vinden ouders eigenlijk van de CJG?
Een tweede punt van aandacht betreft de ouderparticipatie bij de ontwikkeling van de CJG. Wat vinden ouders er eigenlijk van? Hoe willen zij ondersteund worden bij de opvoeding van hun kinderen? Op ouders-on-line, een veelbezochte discussiesite voor ouders, zijn zeker niet alle reacties van ouders op de plannen voor de CJG enthousiast. In enkele gemeenten wordt onderzoek gedaan naar de wensen van ouders t.a.v. de CJG. Resultaten hiervan kunnen gebruikt worden om de inrichting van de CJG goed aan te laten sluiten op behoeften en wensen van ouders.
| De AJN pleit ervoor om ouders actief te betrekken bij plannen voor de Centra voor Jeugd en Gezin. |
Jeugdarts in Zorg Advies Teams
Zorg Advies Teams (ZAT) moeten in de plannen van de Minister een belangrijke schakel vormen tussen de CJG en het onderwijs. In de Zorg Advies Teams worden risicokinderen besproken. Risicokinderen hebben problemen op allerlei vlak. Deze zijn zelden exclusief psychosociaal, onderwijskundig of medisch. Onderwijskundige problemen kunnen leiden tot psychosociale problemen. Psychosociale problemen tot medische. En vice versa. Om een goede beoordeling te kunnen maken van de factoren die meespelen bij de complexe problemen van een kind dient een brede expertise aanwezig te zijn in de ZATs op alle terreinen. De medische expertise van de jeugdarts is o.i. hierbij onontbeerlijk.
| De AJN is van mening dat medische expertise in de ZATs noodzakelijk is om een integrale benadering van problemen van kinderen mogelijk te maken. Deelname van de jeugdarts aan de ZATs is dan ook van groot belang. |
Uitbreiding van de ZAT's naar de voorschoolse periode is een goede en zinvolle zaak. Ook bij jonge kinderen liggen de problemen vaak op zowel somatisch, psychisch als sociaal gebied. Goede samenwerking tussen CJG en peuterspeelzalen en kinderdagcentra is van essentieel belang om kinderen goed in beeld te krijgen en tijdig ondersteuning voor kind of gezin in te zetten.
| De AJN is van mening dat onderzoek naar de mogelijkheden van voorschoolse ZAT's zo spoedig mogelijk dient plaats te vinden. |
Zorgcoördinatie taak voor de JGZ
De AJN is blij dat de gemeenten - wettelijk vastgelegd- de regierol toebedeeld krijgen voor de coördinatie van zorg bij problemen in een gezin. De Minister schrijft dat het voor de hand ligt dat de jeugdgezondheidszorg het aangrijpingspunt vormt voor het coördineren van zorg. Wij zijn het hiermee eens, maar denken dat de formulering duidelijker kan.
| De AJN vindt dat de jeugdgezondheidszorg verantwoordelijk gesteld moet worden voor de coördinatie van zorg voor kinderen tenzij met ketenpartners expliciete afspraken zijn gemaakt dat zij de zorgcoördinatie overnemen. |
Het is voor de jeugdgezondheidszorg niet mogelijk om op dit moment reeds de rol van zorgcoördinator voor alle kinderen goed te vervullen. Zorgcoördinatie is een zeer arbeidsintensieve taak waarvoor tijd en middelen in de jeugdgezondheidszorg ontbreken. Ook is het van groot belang dat de jeugdarts erkend wordt als medebehandelaar van alle kinderen en jongeren zoals ook de IGZ adviseert in het rapport over het Maasmeisje2. Door deze erkenning worden ketenpartners verplicht de jeugdgezondheidszorg te informeren over hun zorg aan kinderen. Hierdoor is de jeugdgezondheidszorg in staat haar taak als zorgcoördinator te realiseren. Op dit moment wordt de jeugdgezondheidszorg slecht geïnformeerd door ketenpartners zoals ook geconstateerd is in het rapport van de IGZ/IJZ naar aanleiding van het overlijden van een zuigeling ten gevolge van kindermishandeling3.
| De Jeugdgezondheidszorg kan haar taak als zorgcoördinator alleen uitvoeren als hiervoor tijd en middelen ter beschikking worden gesteld. Erkenning van de jeugdarts als medebehandelaar van alle kinderen is noodzakelijk. |
Namens de AJN,
Elise Buiting, voorzitter
Marianne Brackel, secretaris
Henrique Sachse, bestuurslid
Literatuurreferenties
1 Cliënt Content. Klanttevredenheidsonderzoek jeugdgezondheidszorg. Tilburg 2005.
2 IGZ. Rapport. Zorgverlening door jeugdgezondheidszorg, GGZ en huisartsen aan Gessica vanuit het perspectief van een veilige ontwikkeling van het kind. Verdiepingsrapport IGZ. Den Haag, augustus 2007.
3 Inspectie Jeugdzorg, Inspectie Sanctietoepassing, Inspectie Gezondheidszorg. Onderzoek naar casus kindermishandeling, Utrecht, oktober 2007.
ZonMw zoekt referenten voor onderzoeksaanvragen op de gebieden Zorg voor Jeugd en Richtlijnen Jeugdgezondheid. Bent u wetenschapper, praktijkprofessional of methodoloog op het gebied opvoedondersteuning, jeugdzorg of jeugdgezondheidszorg? Wilt u een bijdrage leveren aan effectieve zorg voor jeugd? Heeft u daar een aantal uur tijd voor over? Meld u dan aan via onze website www.zonmw.nl/zorgvoorjeugd! ZonMw financiert onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten waarvoor. Subsidieaanvragen worden, anoniem, beoordeeld door vier referenten: een wetenschapper, een methodoloog, een praktijkprofessional en een (potentiële) cliënt. Omdat ZonMw medio maart 2008 een kleine 50 subsidieaanvragen verwacht binnen te krijgen, zijn we dus op zoek naar zo’n 200 referenten.
U beoordeelt als referent een aanvraag aan de hand van een beoordelingsformulier, waarop 5 vragen staan. Een voorbeeld van zo’n vraag: ‘Hoe waardeert u het plan van aanpak voor het onderzoek?’. Per vraag kunt u kiezen uit vijf antwoordmogelijkheden: zeer goed, goed, voldoende, matig, onvoldoende. Vervolgens wordt u gevraagd uw antwoord toe te lichten. Dit maakt het voor aanvragers mogelijk om uw (nogmaals: anonieme) beoordeling te reageren.
Meer informatie?
Voor informatie over het programma’s ‘Zorg voor Jeugd’ en ‘Richtlijnen Jeugdgezondheid’ zie www.zonmw.nl/zorgvoorjeugd of neem contact op met Mariken Leurs of Saskia van den Toorn via zorgvoorjeugd@zonmw.nl .
ZonMw is de Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw, het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid en het Kenniscentrum van het Nederlands Jeugdinstituut / Nji werken samen binnen het Kennisprogramma Jeugd van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin, met als doel professionals in de jeugdsector te voorzien van kennis over richtlijnen, instrumenten en interventies.
Met ingang van 2008 krijgen circa 4000 à 5000 beroepsbeoefenaren in de kinderopvang, bij peuterspeelzalen en in het basisonderwijs een training vroegsignalering. Hierdoor beschikken zij over deskundigheid om in een vroeg stadium te kunnen signaleren wanneer er sprake is van probleemontwikkeling bij het kind en om dit bespreekbaar te maken met de ouders of andere opvoeders. Daarnaast leren zij op welke wijze zij zonodig kunnen verwijzen en naar welke hulpverleningsinstellingen. In de jaren 2009 en 2010 volgen mogelijk overige beroepsbeoefenaren die buiten de zorg met kinderen en jongeren werken (o.a. jeugdwelzijnswerk, MBO en thuiszorg). Daarover besluiten Provinciale Staten in een later stadium. De aftrap voor het project vroegsignaleren is vanochtend in het provinciehuis.
In 2007 hebben de gezamenlijke GGD-en (Twente, Ijssel-Vecht en Gelre-Ijssel) in opdracht van de provincie Overijssel een training Vroegsignalering ontwikkeld. De training is opgebouwd uit een basistraining die al jaren met succes in de stadsregio Rotterdam wordt gegeven. Daarnaast is gebruik gemaakt van de kennis en ervaring van de Overijsselse trainers die aansluiten bij de praktijk in Overijssel.
De trainingen worden gegeven door een trainerspool, die zelf is getraind door mensen van `Opvoedingsondersteuning Stadsregio Rotterdam' vanuit het principe `Train de trainers'. In het `Overijssel model' wordt informatie verstrekt over het pedagogisch programma Triple P. Effectonderzoek na enkele proeftrainingen in Dalfsen, Oldenzaal en Losser laat zien dat de deelnemers erg tevreden zijn over de uitvoering van het preventieproject en vooral over de begeleiding en het naslagwerk.
Voor de uitvoering van het trainingsprogramma hebben Provinciale Staten uit de Dynamische Investeringsagenda (DIA), onderdeel sociale infrastructuur, voor 2007 en 2008 in totaal EUR 1.000.000,-- beschikbaar gesteld. Hierdoor kan de provincie Overijssel de eerste trainingen kosteloos aanbieden. Na deze eerste trainingen moeten alle organisaties het nut van de trainingen zelf inzien en vervolgtrainingen voor nieuwe medewerkers ook zelf bekostigen.
Het thema `Vroegsignalering' is één van de speerpunten van de provincie Overijssel uit het Actieprogramma Jeugdbeleid Jeugdzorg 2005-2008. Ook in het nieuwe provinciale meerjarenprogramma jeugd 2008-2011 `Nieuwe Bezems' is preventie één van de hoofdpijlers. Naast het verbeteren van de bestaande jeugdzorg investeert de provincie ook steeds meer in preventie en vroegsignalering. Het tijdig signaleren van deze problemen en het bieden van de nodige ondersteuning, hulp of zorg aan kinderen, jongeren en hun ouders kan vaak voorkómen dat er onnodig menselijk leed ontstaat.
Bij kinderen jonger dan een jaar zijn luchtwegklachten voor ouders de belangrijkste reden om naar de huisarts te gaan. Vaak gaan deze klachten vanzelf over, toch schrijft de arts in veertig procent van de gevallen medicijnen voor. Dat concludeert kinderarts in opleiding Brita de Jong van het UMC Utrecht in haar promotieonderzoek. De Jong promoveert op 24 januari aan de Universiteit Utrecht.
In het onderzoek van De Jong blijkt de helft van alle deelnemende kinderen in het eerste levensjaar vanwege lagere luchtwegklachten, zoals hoesten of piepen, bij de huisarts te komen. Buitenlandse moeders én moeders met een aanvullende verzekering blijken eerder met hun kind naar de huisarts te gaan. Ook ouders waarvan het kind op de crèche zit komen vaker. Tenslotte blijken ouders eerder met een zoon dan met een dochter naar de huisarts te gaan. De Jong: “Los van de medische klachten, spelen eigenschappen van ouders en kind een belangrijke rol in het zorggebruik bij kinderen met luchtwegklachten.”
Verder laat De Jong zien dat veertig procent van de kinderen die bij de huisarts komt medicatie krijgt voorgeschreven bestaande uit antibiotica en/of anti-astma medicatie. Ook hier beïnvloeden eigenschappen van kind, ouder en huisarts het voorschrijfgedrag. Jongens en kinderen die op een crèche zitten hebben een grote kans om een voorschrift te ontvangen. Het hebben van een moeder met hoge opleiding of oudere moeder vormt ook een verhoogd risico. Als laatste schrijven artsen met meer dan tien jaar ervaring vaker medicijnen voor. “Dokters moeten zich bewust zijn van deze invloed”, vindt De Jong.
Artsen zouden graag bij kleine kinderen het ontstaan van astma op latere leeftijd voorspellen. Tot nu toe is astma pas vanaf de leeftijd van 5 à 6 jaar vast te stellen via een longfunctietest waarbij kinderen zo hard mogelijk moeten uitademen. Bij kleine kinderen wordt nu vooral het voorkomen van astma in de familie als risicofactor voor astma gebruikt, terwijl dit astma maar matig voorspelt. De Jong ontwikkelde een risicoscore om baby’s op te sporen die een hoog risico lopen op het krijgen van astma. Daarnaast onderzocht zij de toegevoegde waarde van een longfunctiemeting op babyleeftijd. Via een reflex kan de weerstand en elasticiteit van de longen worden gemeten bij een slapende baby. Vervolgonderzoek moet uitwijzen of deze longfunctiemeting een voorspellende waarde voor het ontstaan van astma heeft.
Het promotieonderzoek van De Jong maakt deel uit van het WHISTLER-onderzoek naar luchtwegklachten bij kinderen in de Utrechtse wijk Leidsche Rijn. Hier zijn al 1500 baby’s in opgenomen.
Kinderen met overgewicht hebben kans op complicaties. Alom bekende risico's zijn hart- en vaatziekten en diabetes. `Maar het risico op leververvetting wordt onderschat', aldus kinderarts Ines von Rosenstiel van het Slotervaartziekenhuis in de e-mail nieuwsbrief 'Nieuws over Kindervoeding'. Bij naar schatting 1 op de 5 obese kinderen is sprake van leververvetting. Von Rosenstiel pleit daarom voor een standaard screening bij obese kinderen. In de nieuwsbrief Nieuws over Kindervoeding beschrijft de kinderarts het sluipende gevaar: `Verraderlijk, want leververvetting geeft zelden klachten, maar kan uiteindelijk wel leiden tot leverfibrose en levercirrose. Als er al klachten zijn, is dat meestal vermoeidheid en vage buikpijn.' Bij 22% van de kinderen met leververvetting leidt dit uiteindelijk tot leverfibrose of levercirrose, ernstige leverziekten met een hoge morbiditeit en mortaliteit.
Vorig jaar deed het Slotervaartziekenhuis onderzoek naar risicofactoren bij obese kinderen. Aan dit onderzoek hebben 443 kinderen in de leeftijd van 3 tot 18 jaar deelgenomen. `Van deze kinderen had maar liefst 46% insulineresistentie, bij 49% was sprake van dyslipidemie, 25% had een te hoge bloeddruk en 19% had verhoogde leverfunctiewaarden,' vertelt Von Rosenstiel. De verhoogde leverfunctiewaarden wijzen op leververvetting.
Von Rosenstiel vindt het belangrijk de diagnose leververvetting tijdig te stellen: `Voor leverfibrose en -cirrose is grotendeels geen behandeling, maar voor leververvetting wel. Daarom screenen wij alle kinderen op de obesitaspoli.' Leververvetting kan worden aangepakt door gewichtsreductie.
Nieuws over Kindervoeding is een gratis e-mail nieuwsbrief, die wordt verzonden naar onder meer kinderartsen, verpleegkundigen, verloskundigen en kinderdiëtisten. Op de website staat recent nieuws, boekbesprekingen en een uitgebreide agenda. Een abonnement is gratis. Aanmelden kan via www.nieuwsoverkindervoeding.nl.
Minister Rouvoet schrijft de Tweede Kamer. In 2006 is de jeugdgezondheidszorg geëvalueerd. Deze evaluatie is aangekondigd bij de inwerkingtreding van de Tijdelijke regeling specifieke uitkering jeugdgezondheidszorg (2002 Stcrt. 204) en vastgelegd in het Convenant inzake de voorbereiding van de invoering van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg (27 mei 2002). Zoals toegezegd tijdens de behandeling van de begroting van Jeugd en Gezin 2008 treft u de rapportage van de evaluatie als bijlage aan. Hieronder ga ik kort in op de hoofdlijnen van het evaluatieonderzoek en de resultaten daarvan.
Inleiding
Per 1 januari 2003 is het stelsel voor jeugdgezondheidszorg gewijzigd. Voorheen bestond dit uit jeugdgezondheidszorg voor 0-4 jarigen, geleverd door thuiszorgorganisaties en gefinancierd uit de AWBZ en jeugdgezondheidszorg voor 4-19 jarigen geleverd door GGD’en, gefinancierd uit het gemeentefonds en aangestuurd door de gemeenten. In de praktijk werd de inhoud van de zorg bepaald door de organisaties die zorg verleenden en bestond er geen uniform aanbod. Met de wijziging in 2003 zijn gemeenten aangewezen als regievoerder voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg. De inhoud van de zorg is vastgelegd in het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg. Dit bestaat uit een uniform deel dat landelijk wordt vastgesteld en aan alle kinderen wordt aangeboden en een maatwerk deel dat op geleide van de individuele zorgbehoefte van het kind en de lokale beleidsprioriteiten door gemeenten wordt ingevuld. De gemeente is verantwoordelijk voor de financiering van het geheel, die deels vanuit het gemeentefonds en deels via een specifieke uitkering wordt geregeld.
Evaluatie van de Wijzigingen in de jeugdgezondheidszorg
Van Naem en Partners en TNO Kwaliteit van Leven zijn medio maart 2006 gestart met de uitvoering van de evaluatie. Centrale vragen in de evaluatie zijn:
1. Wat heeft de gewijzigde Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) de kinderen in Nederland tussen 0 en 19 jaar voor verbeteringen gebracht (peildatum 1 januari 2006); en
2. Is het bestuurlijke arrangement adequaat gebleken.
Het onderzoek vond plaats vanuit de invalshoeken bestuurlijk/financieel en inhoud/kwaliteit/organisatie. Via vier deelonderzoeken (uitgevoerd bij gemeenten, uitvoeringsorganisaties en klanten en een bekostigingsonderzoek) is een beeld van de jeugdgezondheidszorg geschetst dat is neergelegd in één geïntegreerde rapportage. Het onderzoek is in relatief korte tijd uitgevoerd. Ik heb veel waardering voor de voortvarendheid van de onderzoekers en de constructieve betrokkenheid van gemeenten, thuiszorgorganisaties en GGD’en bij het onderzoek.
Resultaten van de evaluatie
Ik vind de resultaten van de evaluatie van de jeugdgezondheidszorg zeer positief. In korte tijd (2003-2005) hebben de betrokken partijen grote veranderingen weten door te voeren. Tijdens dit veranderingsproces hebben ze het belang van de jeugd steeds goed in het oog weten te houden. De evaluatie geeft een helder beeld van de jeugdgezondheidszorg. Dat beeld laat zien dat met de wijziging van de Wcpv, de preventieve zorg voor kinderen tussen 0 en 19 jaar op niveau is gebleven. Dat is een prestatie van formaat. Kinderen krijgen het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg aangeboden zoals dat is vastgesteld in de Wcpv. Het aanbieden van een landelijk uniform pakket in de vorm van het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg wordt breed gedragen. De meeste uitvoeringsorganisaties voeren het uniform deel van het basistakenpakket ook grotendeels uit conform de opzet. In aanvulling hierop willen gemeenten graag meer ruimte voor lokaal maatwerk krijgen. Alle partijen ondersteunen de verschuiving van de regierol naar de gemeente. De uitvoering hiervan laat een gedifferentieerd beeld zien. Voor veel gemeenten is het een uitdaging om voldoende sturing te leveren op de inhoud van de zorg, dit is vooral van belang voor het maatwerk deel van het basistakenpakket. Toekomstige kansen voor gemeenten liggen bij het versterken van de regie ten aanzien van organisatie en wijze van uitvoering van de jeugdgezondheidszorg.
Vervolg op de evaluatie
De hiervoor genoemde resultaten leveren een belangrijke bijdrage aan het behalen van de doelstellingen van de wijziging van de jeugdgezondheidszorg in 2003. De jeugdgezondheidszorg biedt hiermee een prima uitgangspositie als basis voor de Centra voor Jeugd en Gezin. De evaluatie laat ook zien waar ruimte zit voor verbetering. Het gaat dan vooral om de aandacht en zorg voor risicokinderen, de inhoud en vormgeving van het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg en de vormgeving van de integrale jeugdgezondheidszorg. Over deze onderwerpen ben ik regelmatig met u in discussie geweest. Voor de zomer informeer ik u nader over de uitvoering van de risicosignalering door de jeugdgezondheidszorg.
Toekomstige financiering
Uit de evaluatie is gebleken dat het van belang is dat de financieringsmethodiek wordt gewijzigd. Ik onderschrijf deze conclusie. In het bestuursakkoord “Samen aan de slag” van 4 juni is afgesproken de middelen onder te brengen in de brede doeluitkering jeugd. Per 1 januari zijn de middelen voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg (de voormalige tRsu jeugdgezondheidszorg) dan ook ondergebracht in de Brede Doeluitkering Jeugd. Hierbij heb ik bij de vaststelling van de verdeelsleutel rekening gehouden met de conclusie van de evaluatie dat het huidige financieel kader voor de jeugdgezondheidszorg op macroniveau weliswaar voldoende is maar dat de verdeling van de middelen niet altijd aansluit bij de lokaal te maken kosten.
Tot slot
De evaluatie van de jeugdgezondheidszorg heeft een grote hoeveelheid informatie opgeleverd en geeft een goed beeld van de gemaakte vorderingen en de veerkracht van de jeugdgezondheidszorg. Met de hiervoor genoemde resultaten zijn belangrijke stappen gezet voor het behalen van de doelstellingen van de wijziging van de jeugdgezondheidszorg in 2003. De evaluatie geeft partijen handvatten om door te gaan met verbeteringen in de jeugdgezondheidszorg. Ik heb er veel vertrouwen in dat partijen hun verantwoordelijkheid nemen en zelf aan de slag gaan met de resultaten. Ik ben ervan overtuigd dat de sector zich de komende jaren zal blijven ontwikkelen en dat dit tot voordeel zal zijn voor alle kinderen in Nederland.
De Minister voor Jeugd en Gezin,
mr. A. Rouvoet
---
Evaluatie jeugdgezondheidszorg
Kamerstuk, 21 januari 2008
De Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
PG/OGZ 2.821.150
21 januari 2008
De Nederlandse jeugd wordt steeds dikker volgens een recente studie van TNO onder 4-15 jarigen. Dit vraagt om nieuwe instrumenten voor signalering en monitoring van overgewicht. Daarom hebben Centrum Eetstoornissen Ursula, Centrum Overgewicht en Obesitas en TNO gezamenlijk een unieke Body Mass Index-meter (BMI) ontwikkeld. De meter is speciaal ontworpen om het BMI van kinderen en volwassenen te bepalen, waarbij de meter zowel overgewicht als (extreem) ondergewicht kan bepalen. De meeste bestaande BMI-meters kunnen alleen het overgewicht bij volwassenen berekenen. De nieuwe BMI-meter is een belangrijk hulpmiddel om kinderen en volwassenen sneller en beter te kunnen adviseren over hun gewicht.
Body Mass Index
Ondergewicht, overgewicht en obesitas worden uitgedrukt aan de hand van de Body Mass Index (BMI). Deze index is gebaseerd op de verhouding tussen lengte en gewicht en geeft een betrouwbare indicatie voor ondergewicht, overgewicht of obesitas. Volgens de internationale WHO-normen, is er bij volwassenen sprake van overgewicht als de BMI groter is dan 25 en is er sprake van obesitas bij een BMI groter dan 30. Bij een BMI lager dan 18,5 is sprake van ondergewicht en er is sprake van ernstig ondergewicht bij een BMI kleiner dan 17. Het bepalen van de BMI-klassen bij kinderen is complexer. Bij hen hangen de criteria, naast lengte en gewicht, ook af van leeftijd en geslacht. Deze criteria zijn allemaal verwerkt in de nieuwe BMI-meter.
De BMI-meter
Met steun van het Loosco fonds heeft TNO een nieuwe rekenmethode ontwikkeld: LukaRotor. Deze methode berekent grafische ontwerpen met één of meerdere roterende schijven. In samenwerking met Centrum Eetstoornissen Ursula en Centrum Overgewicht en Obesitas is nu het eerste product op basis van LukaRotor ontwikkeld: de BMI-meter voor kinderen en volwassenen. De BMI-meter bestaat uit twee schijven die de gebruiker kan draaien zodat lengte samenvalt met gewicht. Een groene pijl geeft de BMI-score aan. Volwassenen kunnen vervolgens op de achterzijde bekijken in welke BMI-klasse de score valt en welke indicatie daaraan is verbonden. Voor het bepalen van de BMI-klasse voor kinderen zijn naast lengte en gewicht ook leeftijd en geslacht van belang. Na het bepalen van de BMI score, is in aparte vensters voor jongens en meisjes de BMI-klasse af te lezen aan de hand van kleurcodes.
Bestellen
De BMI-meter voor kinderen en volwassenen is bedoeld voor professionals in de gezondheidszorg, maar ook andere geïnteresseerden kunnen de BMI-meter bestellen bij Centrum Eetstoornissen Ursula (www.centrumeetstoornissen.nl) en Centrum Overgewicht en Obesitas (www.centrumovergewicht.nl).
Over Centrum Eetstoornissen Ursula
Centrum Eetstoornissen Ursula is een gespecialiseerd behandelcentrum in Leidschendam. Iedereen met een eetstoornis, zoals anorexia nervosa, boulimia nervosa, eetbuistoornissen kan hier terecht. De behandeling vindt plaats in multidisciplinaire teams en bestaat uit een aantal poliklinische, deeltijd- en klinische zorgprogramma's. Naast behandelingen verricht het centrum in nauwe samenwerking met behandelaars en andere klinieken wetenschappelijk onderzoek. Dit om bestaande behandelmethoden te verbeteren en nieuwe behandelmethoden te ontwikkelen.
Over Centrum Overgewicht en Obesitas
Centrum Overgewicht en Obesitas is een gespecialiseerd behandelcentrum in Leidschendam. De behandeling kenmerkt zich door een: focus op gewichtsverlies en -behoud door een blijvende gedragsverandering, multidisciplinaire aanpak en wetenschappelijke onderbouwing. Het centrum biedt behandelprogramma's voor volwassenen, kinderen, gezinsbehandeling aan huis, screening en nazorg bij bariatrische chirurgie.
Over TNO
TNO maakt wetenschappelijke kennis toepasbaar om het innovatief vermogen van overheid en bedrijfsleven te versterken. Kennis ontwikkelen, integreren én toepassen: die combinatie onderscheidt ons van andere kennisinstellingen. Een van onze aandachtsgebieden is de ondersteuning bij het ontwikkelen van goede gezondheidszorg door vernieuwend onderzoek en advies op de terreinen 'Jeugd en Gezondheid', 'Bewegen en Gezondheid' en 'Zorginnovatie'. Daarbij ligt de nadruk op preventie.
De Nederlandse minister voor Milieu Jacqueline Cramer ziet geen kans om het binnenkomen van met gevaarlijke gifstoffen begaste containers door afdoende controle tegen te gaan. Zij blaast de verscherpte inspectie die werd ingesteld na het bekend worden van het Chinese gifschandaal medio 2007, bij gebrek aan resultaat weer af, zo heeft haar ministerie gisteren laten weten. Het bestuur van de Stichting Onderzoek en Preventie Zuigelingensterfte handhaaft derhalve het advies aan consumenten om geen geïmporteerde babyartikelen (van vooral Chinese makelij) te kopen als niet onomstotelijk wordt aangetoond en gegarandeerd dat zij vrij zijn van voor baby's gevaarlijke stoffen. Deze waarschuwing geldt in het bijzonder voor matrassen en kleding, waar baby's intensief en langdurig mee in aanraking komen.
Tegen de verwerking van giftige stoffen tijdens de productie van kleding en speelgoed zijn maatregelen aangekondigd door producerende landen, maar het begassen (fumigeren) van containers met levensgevaarlijke chemische middelen gaat onverminderd door. Dat gebeurt nog steeds in vele landen die naar de Europese Unie exporteren. Zeecontainers komen in zo groten getale Nederland binnen dat een waterdichte controle op de aanwezigheid van gifstoffen volgens de minister onmogelijk is. Slechts een fractie kan door de inspectie worden nagelopen.
Al sinds 2000 is de aandacht van de Inspectie Milieuhygiëne van het ministerie van VROM gericht op de mogelijke aanwezigheid van resten van giftige insectenbestrijdingsmiddelen in zeecontainers en in de goederen die daarmee worden aangevoerd. Containers worden in exportlanden begast met middelen die zijn bedoeld om ongewenste insecten te doden. Bij aankomst in Europa dienen de containers te worden ontgast om risico's voor havenwerkers te voorkomen. Soms gaat dat mis en lopen werknemers ernstige gezondheidsschade op.
Ook na ontgassing blijven residuen van de gebruikte middelen achter in allerlei producten (meubelen, kleding, matrassen, medicijnen, voedingsmiddelen, speelgoed). Verpakkingen blijken de penetratie van de giffen niet tegen te houden. Eenmaal opgenomen staan de goederen de gifresten moeizaam, traag en niet volledig af. Het laatste geldt bij voorbeeld voor matrasjes van kunststof, die volgens deskundigen vele maanden restanten zullen uitdampen. Gevreesd wordt dat dit op termijn tot ernstige gezondheidsschade kan leiden. Baby's lopen extra verhoogd risico, omdat zij met hun nog niet volledig ontwikkelde zenuwstelsel en relatief groter huidoppervlak veel kwetsbaarder zijn dan volwassenen.
Rechtstreekse blootstelling aan de gifstoffen kan levensbedreigend zijn. In Duitsland is een volwassene na het openen van een container door verlammingsverschijnselen geveld. In ons land zijn recentelijk enkele werknemers door gif geveld.
Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) heeft vanaf 2001 enkele malen in opdracht van VROM onderzoek gedaan naar gezondheidsrisico's. De aanwezigheid van gevaarlijke stoffen en het uitdampen daarvan werd aangetoond, maar diverse proeven mislukten, of ze waren onvolledig of te beperkt om betrouwbare, wetenschappelijk verantwoorde conclusies mogelijk te maken.
Voorjaar 2007 heeft het RIVM een sterke toename geconstateerd van containers die met gevaarlijke middelen zijn behandeld. Er duiken ook nieuwe bestrijdingsmiddelen op. Bij steekproeven werden verontrustend hoge doses residuen aangetroffen.
Noch het RIVM, noch het ministerie zijn in staat veiligheidsgaranties te geven. Volgens een inspecteur van VROM is er sprake van botsende opvattingen en competenties van betrokken ministeries en onheldere, soms tegenstrijdige Europese wetgeving.
In het Verre Oosten, i.c. in China en Japan, worden containers o.m. behandeld met methylbromide (dat o.m. ook de ozonlaag aantast en dat Europa het liefst zou uitbannen), met fosforwaterstof en met 1,2 dichloorethaan, dat als kankerverwekkend wordt beschouwd. Ook wordt soms het in Nederland niet toegelaten sulfurfluoride gebruikt. Al deze middelen worden ingezet om houtaantastende insecten te doden. Dat kan ook d.m.v. verhitting, maar dat is een relatief ingewikkelde en kostbare methode.
De stichting is van oordeel dat restanten van gifstoffen principieel niet thuishoren in consumentenproducten. Producenten en importeurs dienen te kunnen garanderen dat hun producten gifvrij zijn. Dat geldt zo mogelijk nog in versterkte mate voor producten waar baby's mee in aanraking komen.
Alleen de Nederlandse overheid en de Europese Unie kunnen lacunes in de wetgeving dichten en falende controlesystemen verbeteren. Leveranciers en importeurs zouden moeten garanderen dat producten gifvrij zijn. Door extra testen op veiligheid is dat mogelijk.
(bron: brief Stichting Wiegedood)
Slechts 17% van de gaatjes in de melkgebitten van vijfjarigen is gevuld. Ondanks het feit dat deze kinderen wel periodiek de tandarts bezoeken, zijn gemiddeld 3,4 aangetaste tand- of kiesvlakken niet behandeld. Dit staat in het Signalement Mondzorg dat het College voor zorgverzekeringen (CVZ) aan de minister van VWS heeft aangeboden. Een belangrijke oorzaak van de geconstateerde onderbehandeling van het melkgebit komt voort uit het feit dat bijna de helft van de tandartsen aangeeft de behandeling van gaatjes bij kleuters moeilijk te vinden. Bijvoorbeeld omdat kleine kinderen angstig zijn tijdens de behandeling. Volgens het CVZ wreekt zich het ontbreken van een structureel ingevoerd kwaliteitssysteem bij tandartsen.
Het CVZ juicht het toe dat de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT) met het programma ‘Kies voor gaaf’ in 2007 het initiatief heeft genomen om te komen tot een aanpak van de al jaren geconstateerde problemen met (melk-)gebitten. Top op heden ontbreken er echter heldere richtlijnen en protocollen op het gebied van de kindertandheelkunde.
Op grond van onderzoek naar de mondgezondheid van jeugdige verzekerden stelt het CVZ een tweedeling vast. De grens ligt momenteel rond het vijftiende levensjaar. Tot die leeftijd vertonen gebitten een tendens tot verslechtering. Vanaf die leeftijd verbetert de mondgezondheid nog. Uit onderzoek blijkt verder dat het percentage kinderen met een gaaf melkgebit daalt. Het percentage jeugdigen met een gaaf blijvend gebit is al jaren min of meer constant en vertoont pas een stijgende lijn vanaf 17 jaar. Ondanks die stijgende lijn heeft slechts één op de zeven jongeren van 23 jaar een gaaf gebit.
In het Signalement Mondzorg beantwoordt het CVZ de vraag in hoeverre sprake is van een goede mondzorg, die voor iedere verzekerde toegankelijk is. Naast aandacht voor mondgezondheid van jeugdigen gaat het CVZ-signalement onder meer in op de tandheelkundige verzorging van (thuiswonende) verstandelijk gehandicapten. Ook geeft het CVZ een overzicht van de kosten die gemoeid zijn met de mondzorg in de Zorgverzekeringswet en de AWBZ.
Download het rapport via deze link (PDF).
Scholieren in de buurt van luchthavens presteren slechter op school, vooral bij complexere taken. Dat blijkt uit onderzoek van Elise van Kempen. Om het effect van transportgeluid op leerprestaties, en gezondheid van kinderen te bepalen, voerde Elise van Kempen een onderzoek uit onder 2844 basisschoolkinderen in de omgeving van 3 Europese luchthavens. Daarnaast evalueerde zij meer dan 65 epidemiologische studies die de relatie tussen geluid en bloeddruk en hart- en vaatziekten onderzochten, gepubliceerd tussen 1970-2007.
Van Kempen ontdekte dat blootstelling aan transportgeluid vooral een ongunstig effect heeft op de complexere taken. Voor hinder zijn blootstelling-respons relaties afgeleid; daarbij bleek dat de hinderreacties van kinderen vergelijkbaar zijn met die van hun ouders. De relatie tussen geluid en bloeddruk is niet eenduidig. Voor de relatie tussen transportgeluid en zelf-gerapporteerde gezondheid kunnen geen definitieve conclusies worden getrokken.
Naar schatting zijn er door blootstelling aan geluid van vliegverkeer in de omgeving van Schiphol 110 tot 720 leerlingen per schooljaar extra met een relatief lage score op een leestest. Circa 850 leerlingen per schooljaar zijn ernstig gehinderd door het geluid van vliegverkeer op school.
Van Kempen hoopt op dit onderwerp op 22 januari te promoveren aan de faculteit Geneeskunde van de Universiteit Utrecht. Proefschrift: Transportation noise exposure and children's health and cognition.
Minister Rouvoet informeerde per brief de Tweede Kamer over de voortgang EKD. Een stuurgroep heeft tot taak om het traject van digitalisering van de JGZ-instellingen te begeleiden. Ook begeleidt de stuurgroep het vormgeven van de landelijke kop voor uitwisseling van informatie binnen de JGZ en het mogelijk maken van landelijke analyse van gegevens. Voor beide trajecten ligt de regie bij het programmaministerie. De stuurgroep bestaat uit bestaat uit gemandateerde vertegenwoordigers van de VNG, ActiZ en GGD Nederland. Afgesproken is dat in januari via een brief aan gemeenten/instellingen voor Jeugdgezondheidszorg gecommuniceerd zal worden over de landelijke standaarden. Deze moeten het in elk geval mogelijk maken om informatie uit te wisselen en verhuisbewegingen te volgen en te zijner tijd de EKD’s aan te kunnen sluiten aan het Elektronisch Patiëntendossier.
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR JEUGD EN GEZIN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 december 2007
Op 20 december heb ik overleg gevoerd met de Tweede Kamer naar aanleiding van mijn brief van 6 november 2007 (31 001, nr. 33) over de herziene aanpak rond het Elektronisch Kinddossier in de jeugdgezondheidszorg (EKD JGZ). Tijdens dit overleg heb ik aangegeven dat diezelfde middag een eerste bijeenkomst plaats zou vinden van de Stuurgroep EKD JGZ. Hierbij informeer ik u over de afspraken die zijn gemaakt.
De stuurgroep is geïnstalleerd en bestaat uit gemandateerde vertegenwoordigers van de VNG, ActiZ en GGD Nederland, onder voorzitterschap van het programmaministerie. De stuurgroep heeft tot taak om het traject van digitalisering van de JGZ-instellingen te begeleiden. Ook begeleidt de stuurgroep het vormgeven van de landelijke kop voor uitwisseling van informatie binnen de JGZ en het mogelijk maken van landelijke analyse van gegevens. Voor beide trajecten ligt de regie bij het programmaministerie. Besloten is dat er een ondersteuningsstructuur komt bij de VNG om de gemeenten en instellingen te ondersteunen bij het bestuurlijke traject om de EKD-pakketten aan te schaffen. Doelstelling is digitalisering van de jeugdgezondheidszorg uiterlijk per 1-1-2009. De ondersteuningsstructuur rapporteert aan de stuurgroep. Ik zal de VNG hiervoor subsidie verstrekken.
Afgesproken is dat in januari via een brief aan gemeenten/instellingen voor Jeugdgezondheidszorg gecommuniceerd zal worden over de landelijke standaarden. Deze moeten het in elk geval mogelijk maken om informatie uit te wisselen en verhuisbewegingen te volgen en te zijner tijd de EKD’s aan te kunnen sluiten aan het Elektronisch Patiëntendossier. Naast landelijke standaarden zal door de ondersteuningsstructuur een handreiking worden opgesteld voor de gemeenten/JGZ-instellingen voor regionaal aan de pakketten te stellen eisen. Ook zal in deze brief een meer gedetailleerde planning worden opgenomen van de stappen om te komen tot digitalisering van de JGZ. Ik zal u deze brief toesturen en tegelijkertijd zal ik zoals toegezegd tijdens het AO uw Kamer informeren over mijn planning om te komen tot een landelijk werkend EKD.
De minister voor Jeugd en Gezin,
A. Rouvoet
ZonMw roept op tot het indienen van subsidieaanvragen voor het ontwikkelen van multidisciplinaire richtlijnen jeugdgezondheid voor de onderwerpen overgewicht, plagiocephalie en huid. Voor deze ronde is in totaal 900.000 euro beschikbaar. De deadline voor het indienen van de vooraanmeldingen is dinsdag 26 februari om middernacht. Met het nieuwe programma Richtlijnen Jeugdgezondheid geeft ZonMw de komende jaren systematisch invulling aan de ontwikkeling en herziening van richtlijnen voor professionals in de jeugdgezondheidszorg (JGZ). Onder het motto ‘werken volgens de professionele standaard’ levert ZonMw in nauwe samenwerking met de Richtlijnadviescommissie (RAC) en het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid een bijdrage aan de uniformering en professionalisering van de Jeugdgezondheidszorg.
Het programma richt zich uitsluitend op de ontwikkeling en herziening van multidisciplinaire richtlijnen. Ook proefimplementaties kunnen binnen het programma worden gefinancierd.
Daarnaast financiert het programma de verspreiding van ontwikkelde richtlijnen. Deze verspreiding valt onder regie van het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid, net als de borging en evaluatie van de richtlijnen. ZonMw draagt er zorg voor dat tijdens het ontwikkelproces zo veel mogelijk aan de randvoorwaarden voor een succesvolle implementatie van richtlijnen wordt voldaan.
ZonMw is de Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie. ZonMw, het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid en het Kenniscentrum van het Nederlands Jeugdinstituut / Nji werken samen binnen het Kennisprogramma Jeugd van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin, met als doel professionals in de jeugdsector te voorzien van kennis over richtlijnen, instrumenten en interventies.
Meer informatie?
Kijk voor de call op www.zonmw.nl/subsidiewijzer. Voor informatie over het programma zie www.zonmw.nl/zorgvoorjeugd of neem contact op met Saskia van den Toorn, 070-3495235, toorn@zonmw.nl